Download de standaard aangifte hier: http://www.hetbeklag.nl/Aangifte_Irak_algemeen.pdf
Update: dinsdag 02 juni 2009: Aangifte tegen Balkenende & co wegens in Irak gepleegde genocide.
Reden waarom
Het CDA, de VVD,
de PVV, de CU, hun leiders en bestuurders buiten de
regering en het parlement zijn onderwerp van strafrechtelijk onderzoek
wegens deelname aan een terroristische althans criminele organisatie en
een groot aantal andere misdrijven die verband houden met de illegale
oorlogen in Irak en Afghanistan. De feitelijke
grondslagen voor dit onderzoek zijn onder andere te
vinden in een aangifte van 30 september 2006.
Op hetbeklag.nl en dekwestiebalkenende.nl
staat verdere tekst en uitleg. Ook op verkiezingen.nl
staat nadere informatie.
De stand van
zaken is dat de verdachten
voornoemd kunnen verwachten gearresteerd te worden. In verband met
eventuele collectieve aansprakelijkheden of medeplichtigheid wordt u
geadviseerd deze site serieus te nemen.
Actueel
08 december 2004
Er wordt geklaagd
bij het gerechtshof
wegens het niet vervolgen van de minister-president in verband met zijn
betrokkenheid bij de illegale oorlog in Irak.
07-04-2006
De Hoge Raad beslist dat Balkenende
terzake de misdrijven die verband
houden met de illegale oorlog in Irak zijn bevoegdheden misbruik of
bijzondere ambtsplichten schent.
02
mei 2006
De
SP stelt geen aanklacht in tegen de minister-president. De SP zegt ook
ernstige bezwaren te hebben gehad tegen de oorlog in Irak en de
Nederlanse rol in de ´Coalition of the Willing´,
maar
volgens de SP is het niet gebruikelijk om als politieke partij
aanklachten in te dienen tegen andere politici. Daarvoor worden volgens
de SP in de Tweede Kamer andere middelen gebruikt. Lees de brief
van de SP.
30 september 2006
Er volgt een
tweede aangifte
in verband met de illegale oorlog in Irak. Dit keer tegen de politieke
partijen betrokken bij de politieke goedkeuring van de illegale oorlog
in Irak door de minister-president.
12 september 2007
Op Internet fora klinkt
de roep om arrestatie van Balkenende
& co.
17 september 2007
Als bij een petitie worden mensen opgeroepen ook
aangifte te doen.
10 oktober 2007
Burger doet aangifte in Groningen, een en ander verliep in een gemoedelijke sfeer. Lees hier het verslag.
15 oktober 2007
Hoger beroep in de
kwestie waarbij
deze aangifte ook in het strafdossier zit.
01 januari 2008
Mijn Partij
heeft zich bereid verklaard de strafrechtelijke vervolging van
'Balkenende & co' als beleid op te nemen in het partij programma.
09 september 2008
De NCTB bevestigt in DTN-14
de al langer geconstateerde internationale terroristische dreiging
richting Nederland, als gevolg van de film Fitna van tweede kamerlid
Geert Wilders en de PVV.
11 september 2008
Op grond van de bevindingen van de NCTb in DTN-14 ten aanzien van de film Fitna van tweede kamerlid Geert Wilders en de PPV is aanvullend aangifte
gedaan bj de hoofd officier van justitrie in verband met door WIlders
en de PVV gepleegd hoogverraad en uitlokken van terrorisme.
01 oktober 2008
Aangifte tegen Trots
op Nederland, Stichting Vrienden van Rita Verdonk, B.V. Favorita, hun
respectievellijke leiders, bestuurders en oprichters alsmede
aangifte tegen de financiers van de beweging van Verdonk: John de
Mol (Mediatycoon), Harry Mens (Makelaar), Sylvia Toth (Zakenvrouw),
Chris Thunnessen (Vastgoedhandelaar), Willem Zegwaard (ondernemer) ter
zake (poging) tot misdrijven tegen het leven.
03 maart 2009
Aangifte tegen
alle gewone leden van het CDA, Geert Wilders persoonlijk, journalist
Arnold Karskens, Stichting Onderzoek Oorlogsmisdaden wegens terrorisme
gerelateerde misdaden.
Campagne
Lees
het
arrest
van de Hoge Raad. Lees zo nodig ook het volledige digitale dossier
zoals dat hieronder is weer gegeven. Volg de klager in zijn beklag en
doe aangifte. Hetbeklag.nl heeft een
model aangifte
on-line gezet. Die via de locale politie als een petitie bij justitie
afgeven kan worden. Deze campagne is opgezet als onderdeel van de
internationale strijd tegen het terreur en heeft de stilzwijgende
instemming van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding.
Contact
Vragen over deze kwestie kunnen
hier
gesteld worden.
|
| LJN: AU9736, Hoge
Raad, R05/168HR |
 |
| Datum uitspraak: |
07-04-2006 |
| Datum publicatie: |
07-04-2006 |
| Rechtsgebied: |
Straf |
| Soort procedure: |
Cassatie |
| Inhoudsindicatie: |
Beklag
ex art.
12 Sv. bij de Hoge Raad over de niet-vervolging van de
minister-president voor beweerdelijk gepleegde ambtsmisdrijven als
bedoeld in art.
76 RO; ontvankelijkheid; aanwezigheid van
strafverzwarende omstandigheden van art. 44 Sr.
bij eventuele
vervolging. |
|
 |
|
|
| Uitspraak |
7 april 2006
Eerste Kamer
Rek.nr. R05/168HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:x
[Klager],
wonende te [woonplaats],
KLAGER.
1. Het beklag
Met
een op 8 december 2004 ter
griffie van gerechtshof te 's-Gravenhage
ingediend klaagschrift, gevolgd door brieven van 9 december 2004 en 13
december 2004, heeft klager - verder te noemen: [klager] -
zich gewend
tot dat hof en beklag gedaan over het niet vervolgen van de
minister-president ter zake van een groot aantal door deze in die
hoedanigheid begane misdrijven, welke volgens de klaagschriften verband
houden met (i) de oorlog
in Irak, (ii) het
lidmaatschap van de
"Coalitie of the Willing" en (iii) de affaire rond de toestemmingswet
voor het huwelijk van mevrouw Wisse Smit en Prins Johan Friso.
Bij
beschikking van 10 augustus
2005 heeft het hof zich onbevoegd verklaard
tot kennisneming van het beklag en de zaak verwezen naar de Hoge Raad.
De
beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
In een aanvullend schrijven
van 25 december 2005, rechtstreeks gericht aan
de Hoge Raad, stelt [klager] dat hij in zijn aangifte en in zijn
beklagschrift geen strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in art.
44 Sr. aan de minister-president ten laste heeft gelegd,
zodat de
minister-president - na een daartoe door het hof te verstrekken last -
vervolgd zou kunnen worden voor commune delicten. De klaagschriften
zijn aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot
niet-ontvankelijkverklaring van [klager] in zijn beklag.
[Klager] heeft bij brieven
van 11 en 12
januari 2006 op die conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
2.1
Ingevolge de verwijzing door het hof is aan de Hoge Raad voorgelegd een
beklag als bedoeld in art. 12 Sv.
dat is gericht tegen de weigering van
de fungerend hoofdofficier van justitie in het arrondissement Den Haag
bij brieven van 15 december
2003 en 2 februari
2004 en die van de
hoofdofficier van justitie van het landelijk parket bij brief van 29
september 2004 over te gaan tot strafvervolging van de
minister-president, mr. dr. J.P. Balkenende.
2.2 Het beklag
betreft strafbare feiten waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis
neemt, te weten beweerdelijk gepleegde ambtsmisdrijven als bedoeld in art.
76 RO. [Klager] voert in zijn brief
van 25 december 2005 weliswaar
aan dat het klaagschrift de strafverzwarende omstandigheden van art. 44
Sr. niet ten laste heeft gelegd, doch daaraan komt geen
betekenis toe, nu
de
beweerde strafbare feiten waarop [klager] het oog heeft, vermeld
hiervoor onder 1, door de minister-president slechts kunnen zijn begaan
dan hetzij met schending van een bijzondere ambtsplicht, hetzij met
gebruikmaking van macht, gelegenheid of middel, hem door zijn ambt
geschonken, zodat bij een eventuele vervolging het
bepaalde in art.
44
Sr. niet buiten beschouwing kan worden gelaten. De opdracht
tot
vervolging ter zake van zodanige ambtsmisdrijven kan slechts worden
gegeven bij Koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer
(art. 119 Grondwet;
art.
4 Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende
regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der
Ministeriële
Departementen; art. 483
leden 1 en 2 Sv.), derhalve niet door de Hoge
Raad. Nu de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging
van ambtsmisdrijven als hiervoor bedoeld, is het beklag kennelijk
niet-ontvankelijk. Dit brengt mee dat oproeping van [klager] achterwege
kan blijven (HR 20 maart 1998, nr. 9076, NJ 1998, 549).
2.3 Voor
zover [klager] zijn beklag in zijn brief van 25 december 2005 ook
rechtstreeks aan de Hoge Raad heeft voorgelegd, kan hij daarin om
dezelfde reden niet worden ontvangen.
2.4 Voor zover [klager] in
zijn brief van 25 december
2005 bezwaren heeft geformuleerd tegen de
beschikking van het hof, kan hij daarin niet worden ontvangen, reeds
omdat tegen een beschikking als bedoeld in art. 12b
Sv., gelet op art.
445 Sv., geen beroep in cassatie openstaat.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [klager] niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze
beschikking is gegeven door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter,
J.C. van Oven en F.B. Bakels en in het openbaar uitgesproken door de
raadsheer E.J. Numann op 7 april 2006. |
 |
Conclusie
R05/168HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 30 december 2005 (beklag 12 jo. art. 13a Sv)
Conclusie
inzake:
[Klager]
1.
Bij brief van 8 december 2004,
gevolgd door brieven van 9
en 13
december 2004 en 12 januari 2005, heeft klager bij het
gerechtshof te
's-Gravenhage beklag gedaan over het niet vervolgen van de
minister-president terzake van een groot aantal door deze in die
hoedanigheid begane misdrijven, welke volgens het klaagschrift verband
houden met: (i) de
oorlog in Irak, (ii) het
lidmaatschap van de
"Coalitie of the Willing" en (iii) de affaire rond de toestemmingswet
voor het huwelijk van mevrouw Wisse Smit en Prins Johan Friso.
2.
Bij beschikking van 10
augustus 2005 heeft het gerechtshof zich
onbevoegd verklaard tot kennisneming van het beklag en de zaak verwezen
naar de Hoge Raad.
3. Met het hof ben ik van oordeel dat de
brief is aan te merken als een beklag over het niet-vervolgen van
ambtsmisdrijven, gepleegd door een minister. Van een dergelijk misdrijf
neemt de Hoge Raad in eerste en laatste instantie kennis (art. 92 oud
RO, thans art.
76 lid 1 RO), zodat ook het beklag over de
niet-vervolging door de Hoge Raad dient te worden behandeld (art. 13a
Sv).
4. In verband met het gestelde in het beklagschrift is
van belang dat het
tweede lid van art. 76 RO bepaalt dat onder
`ambtsmisdrijven' en `ambtsovertredingen' in het eerste lid worden
begrepen: strafbare feiten, begaan onder een der verzwarende
omstandigheden bedoeld in art. 44 Sr.
Art.
44 Sr heeft betrekking op de
ambtenaar die door het begaan van een strafbaar feit een bijzondere
ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik
maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.
In het verre verleden hield art. 92 (oud) RO, kort gezegd, in dat de
Hoge Raad kennis nam van alle misdrijven, gedurende den tijd hunner
functiën begaan door ministers. Na de totstandkoming van het
Wetboek
van Strafrecht is art. 92 (oud) RO aangepast en is, blijkens de memorie
van toelichting, bewust de keuze gemaakt om, naast de in het Tweede en
Derde Boek van dat Wetboek als zodanig opgenomen ambtsmisdrijven en
ambtsovertredingen, ook de in art. 44 Sr
bedoelde `oneigenlijke
ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen' onder deze exceptionele
rechtsmacht te brengen(1).
5. De strafbare feiten waarvan de
minister-president in het beklagschrift wordt beticht, voor zover het
geen ambtsmisdrijven zijn in de zin van titel XXVIII van het Tweede
Boek van het Wetboek van Strafrecht, zijn aan te merken als misdrijven
als bedoeld in art.
44 Sr in verbinding met het
tweede lid van art. 76
RO(2).
6. In een aanvullend schrijven d.d. 25
december 2005,
rechtstreeks gericht aan de Hoge Raad, stelt klager dat hij in zijn
aangifte en in zijn beklagschrift geen strafverzwarende omstandigheden
als bedoeld in art.
44 Sr aan de minister-president ten laste heeft
gelegd, zodat de minister-president - na een daartoe door het
gerechtshof te verstrekken last - vervolgd zou kunnen worden voor
commune delicten. "De range aan misdrijven die het plegen van zo'n
oorlog met zich mee brengt zijn allemaal strafbaar gesteld in het
commune strafrecht welke onverkort op de minister-president van
toepassing is", aldus klager. Dit argument leidt niet tot een ander
resultaat. In het algemeen kan een strafvervolging worden ingesteld
voor het basisdelict zonder de toepasselijke strafverzwarende
omstandigheid mede ten laste te leggen (zo kan bijv. bij een diefstal
met braak de officier van justitie ervoor kiezen de verdachte
uitsluitend voor eenvoudige diefstal te vervolgen). Dit neemt echter
niet weg, dat zodra zich een geval voordoet waarop art. 44 Sr
van
toepassing is en dus sprake is van een `oneigenlijk ambtsmisdrijf', art.
76 RO van toepassing is en uitsluitend de Hoge Raad bevoegd
is van
het feit kennis te nemen. De ratio van de bevoegdheidsregeling is, dat
een strafvervolging voor dergelijke in functie door een minister
gepleegde delicten niet kan worden ingesteld zonder dat daartoe
opdracht is gegeven bij Koninklijk Besluit of door de Tweede Kamer der
Staten-Generaal. De omstandigheid dat de Tweede Kamer der
Staten-Generaal zelfstandig zo'n opdracht kan geven vormt een waarborg,
in die zin dat de regering niet de enige is die over vervolging van een
minister beslist.
7. Ingevolge het bepaalde in art.
119
Grondwet, art. 483
Sv en art.
4 van de wet van 22 april 1855, Stb. 33,
is een strafvervolging voor de Hoge Raad van een minister slechts
mogelijk indien daartoe opdracht is gegeven bij Koninklijk Besluit of
door de Tweede Kamer der Staten-Generaal. In het onderhavige geval
ontbreekt zo'n opdracht. Om deze reden is klager kennelijk
niet-ontvankelijk in zijn beklag(3). Dit brengt mede dat van het horen
van klager kan worden afgezien (zie art. 12b
in verbinding met art. 13a
Sv).
8. Ook om een andere reden is klager kennelijk
niet-ontvankelijk: het beklag als bedoeld in art. 12
(jo. 13a)
Sv kan
alleen worden gedaan door de rechtstreeks belanghebbende. Als zodanig
wordt aangemerkt: degene die door het achterwege blijven van een
strafvervolging is getroffen in een belang dat hem bepaaldelijk
aangaat(4). Klagers stelling dat hij zich slachtoffer acht en door het
handelen van de minister-president m.b.t. de deelname aan de oorlog in
Irak in gevaar wordt gebracht (voorlaatste alinea brief 13 december
2004), brengt niet mee dat aan dit wettelijk criterium is
voldaan.
9. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van klager in
zijn beklag.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1
H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, vierde deel,
1884, blz. 309. Zie ook: D.J. Elzinga, Over de Hoge Raad als `Forum
Privilegiatum' voor parlementariërs en bewindslieden, TvO
1985, blz.
424-428; J.L.W. Broeksteeg e.a., Strafrechtelijke aansprakelijkheid van
ministers, NJB 2000, blz. 965-971; J.L. de Wijkerslooth en J. Simonis,
De vervolgbaarheid van ministers en staatssecretarissen, NJB 2004, blz.
672-678.
2 Zie over de in art. 44 Sr gebruikte begrippen `schending
van een bijzondere ambtsplicht', en `macht, gelegenheid of middel hem
door zijn ambt geschonken': losbl. Wetboek van Strafrecht, aant. 4 op
art. 44; T&C Sr, aant. 5 op art. 44 (Wemes). J. Remmelink,
losbl.
Wetboek van Strafvordering, aant. 5 op art. 483, beveelt als maatstaf
aan; "dat het feit hoogst waarschijnlijk niet zonder de door het ambt
geboden faciliteiten begaan zou worden".
3 Vgl. HR 6 december 1985, NJ 1986, 244 m.nt. ThWvV; HR 20 maart 1998,
NJ 1998, 549; HR 9 juli 2004, LJN-nrs. AP1273
en AP1274.
4 HR 7 maart 1972, NJ 1973, 35 m.nt. ALM.
|
 |
| info@hetbeklag.nl |
|
|